maandag, januari 10, 2011

2011-01-10

donderdag, mei 07, 2009

pimpelmees


we zijn al een paar dagen in de ban van een pimpelmees die een nestje heeft gemaakt in de dikke
stenen muur van ons huisje, vliegt af en aan met m.i. rupsjes, kan
ook zijn dat daar nog een nestje wordt gemetseld, maar ik denk dat het daar al wat laat voor is.


we leven weer buiten en vicje ligt strategisch; warm/koud.

de avonden nog wat koud maar de dag is zoals we die hier gewend zijn.
vandaag met carine de omgeving doorgekard op zoek naar een cadautje voor P, niet gevonden. chateau balarand is onbereikbaar geworden en is totaal veranderd:
een heus barbiekasteel!

vanavond buiten asperges en aardbeien van de markt gegeten met z'n vieren. P had gekookt in de pannen van K&C. voor het geval ik vergeten was waarom het leven prachtig is.. ik wéét het weer.



Labels:

woensdag, mei 06, 2009

zon

deze dagen is het hier op zijn mooist, groen is fris en heeft duizend variaties. overal wilde viooltjes en in de bosrand, soms overwoekert door bramen wilde salomonszegel.


Carine werkt zich uit de naad en schoont enorme stukken braam op. daaronde zit veel moois.


Bovendien zijn de Limousin runderen nu goed te zien die traag liggen te herkauwen onder de (ook hier!) dode kastanjebomen.


volkomen rust, we verslinden 2 boeken per dag halen asperges op de markt en zoete aardbeien.


het is goed dat we hier zijn, langzaam denken en weer opnieuw hoe het leven nu weer vorm te geven.


Alles wat gebeurt is heeft een bedoeling, en ik geloof dat het je uiteindelijk sterker zal maken, misschien zelfs dat de grote angst ooit voorbij zal zijn.

Labels:

dinsdag, mei 05, 2009

la lègerie

weer in la lègerie.
ipv in de algarve, ryanair dreigde niet te vliegen dus reden we naar onze vertrouwde stek.

la legerie

we zijn er weer, en weer terug in mijn oude blog, want vergeten ftp etc op te slaan.
is niet erg.
het lijkt dat de natuur hier iets achter loopt, de seringen en blauwe regen overal in opperste bloei, de nachten donker, gastvrijheid als vanouds.
thuiskomen.

dinsdag, oktober 18, 2005

daan





Hij vliegt, hij waggelt en hij zwemt
Hij kwekt voor jou en hij kwakt voor haar
Hij snatert heel wat bij elkaar
En als jij een liedje voor hem zingt
Dan plonst dan duikt ie en dan zingt hij wat voor hen

Spetter pieter pater lekker in het water
Ga maar vast naar huis, hij komt een druppel later
Spetter pieter pater lekker in het water
Ga maar vast naar huis, hij komt een druppel later

Lalalalalalala

donderdag, oktober 13, 2005

keuken


wat een najaar, we hebben er meer zo gehad o.a toen we in zuid limburg arriveerden.
de dromen blijven hetzelfde.
deze zon schijnt onbarmhartig in huis, door de (on)gewassen ramen, en nu P thuis is verlangt hij ook langzaam naar een comfortabele lichte keuken.. he he..
das A en ik eeuwig op jacht naar plantjes, kwamen in het huis van dinges terecht... mooi mooi!
zoiets dus en dat er dak wat ruimte is C:\Documents and Settings\Pim\Mijn documenten\My Music\Leonard Cohen\I'm Your Man

dinsdag, oktober 11, 2005

hugo claus


uit NRC van 8 oktober 2005

Claus' ode aan de aardse lust

Breekbaar. Dat is het woord voor het optreden van Hugo Claus in de Opéra Bastille deze week.Claus werd in Parijs aangekondigd als "een van de grootste schrijvers van deze eeuw." Maar al is de toekenning van de Nobelprijs voor de literatuur aanstaande, dit keer hing om hem geen stemming van euforie.

goh, breekbaar? Hugo Claus?
zo zag ik hem nooit! hij zal nu een eindje in de 70 zijn.
ik hoorde hem 'nu nog' lezen, zo sterk en krachtig!
Zijn stem en het gedicht vielen samen.
De zaal was muisstil en ik was niet de enige bij wie de tranen over de wangen rolden.
een ode aan de aardse lust,ja, maar ook aan de voorbije jaren, aan het leven.
in mijn katholieke nonnen meisjesjeugd nooit kunnen denken dat 'dat' zo integer, waardig en waar zou zijn.
Weg met de geboden waar ik door er alleen maar aan te denken,al een rooie kop van kreeg.
Gelukkig was ik jong in een tijd waarin dat mocht.

geleerd o.a. van Hugo Claus



NU NOGDe vierregelige verzen zijn gebaseerd op een selectie uit het Sanskritische gedicht 'De Dief van liefde' (caurisurata pancasika).
I
Nu nog, aan de galg vandaag, met een vod in de mond,
zij die wakker wordt met gezwollen lippen, ogen toe,
zij was iets dat ik wist en toen verloren heb, en hoe,
maar hoe ben ik haar kwijt, hoe blaft een dronken hond?
II
Nu nog haar gezicht als de maan en haar lijf als de maan
jong, bitter jong, met die borsten en billen en die ribben.
Vroeger had je liefdespijlen, je voelde ze voorwaar,
zij teisterden, dacht je, die blanke volle maan van haar.
III
Nu nog haar afgebeten nagels, haar gekwetste tepels,
haar gladde billen waartussen zij verticaal lachte
en zij die metafysica verachtte zei: ' Ach, schat,
in elke cel van je zaad zitten God en zijn moeder.'
IV
Nu nog de strepen schrammen vlekken tatoeëringen,
allemaal kwetsuren van liefde onder haar lichte jurk,
en ik vrees dat dit zal blijven duren, dit wrang achterbaks
krabben en klauwen naar haar ondermaatse niemandsland.
VI
Nu nog weet ik hoe moe en melig na het loom vrijen
zij 's ochtends bijna schroomvallig haar hoofd vooroverboog,
een eend die over het meer gleed en aan 't water nipte
en toen duikelde naar mij en hapte en toen nooit meer.
VII
Nu nog knoop ik haar gitzwarte haren in hanige
kammen en sprieten en stekels en verheerlijk haar als
totem en kruis in mijn huis dat onhandig en haastig
verandert in een tempel voor Minne, de steelse godin.
VIII
Nu nog al die kamers en nachten en roomkleurig naakt
en al die slaap erna en ervoor en de geur van hei.
Hoe ze snurkte toen ik vroeg of ze nu gelukkig was
en hoe ze de peluw aaide plompverloren naast mij.
IX
Nu nog haar ledematen, alle vier bezig, bekaf,
en haar pasgewassen haar over haar warme wangen,
toen greep zij mijn nek met haar enkels, giechelende beul,
onthoofd bood zij mij haar koele glinsterende wonde.
XI
Nu nog, nu ik op het punt sta over te schakelen
naar dat andere leven, leidt ze mij als door zwart water
en loert en loenst naar mij door haar gevaarlijke wimpers
en lacht als ik kletsnat opklim tegen haar gouden berm.
XII
Nu nog is haar hele lijfkarmijn en glimt van het zweet
en van babyolie glad zijn haar openingen.
Toch blijft wat ik van haar weet een zonderling gebaar,
iets zonder echo, vol bitterheid, toeval en spijt.
XIII
Nu nog vergeet ik weer de goden en hun ministers,
zij is het die mij versplintert, veroordeelt en vergeet,
zij van alle seizoenen maar vooral van de winter
want zij wordt mooier, kouder naarmate ik verder sterf.
XIV
Nu nog tussen alle vrouwen is er niet een als zij,
niet een waarvan de woeste mond mij zozeer heeft verrast.
Mijn zotte ziel zou over haar vertellen als zij kon
maar mijn ziel werd met al haar hebben en houden verwoest.
XV
Nu nog hoe zij beefde van vermoeidheid en fluisterde:
'Waarom doe je dit? Ik laat je nooit meer los, mijn koning.'
Er was geen killere vorst dan ik en overmoedig
liet ik haar zien hoe de Koning traande uit zijn éne oog.
XVI
Nu nog als ik durf te denken aan mijn verloren bruid
tril ik op mijn benen als ik denk aan wie haar nu plukt,
mijn wandelende oleander van een bruid die steeds
opnieuw het onkruid dat ik ben uit zijn lusttuin rukt.
XVII
Nu nog terwijl de bijen van de dood om mij zwermen
proef ik de honing van haar buik en hoor ik het gezoem
van haar klaarkomen en staar ik naar de natte roze
blaadjes van haar beweeglijke vleesetende bloem.
XVIII
Nu nog ons breed bed dat ruikt naar haar en haar oksels
ons bleek bed door de vogels van de wereld bescheten.
Op de vogelmarkt zei zij: 'Die wil ik, die wilde daar,
die almaardoor met zijn bek tikt tegen die tiet van haar.'
XIX
Nu nog. hoe zij zich verweerde en mijn mond weigerde,
en pas toen ik haar vloerde met mijn nagels in haar borst,
lam lag en toen, terwijl ik dronken van haar weelde sliep,
mij weer oppookte als een lang gedoofd gewaande haard.
XX
Nu nog haar beweeglijke borst die in mijn handen lag
en haar lippen dik door de beten van mijn tanden
en haar afgebeten nagels en gekwetste tepels
en hoe zij scheel keek in het wrede licht van de morgen.
XXI
Nu nog verbeeld ik mij dat zij in de smalle tijd
tussen mij en de poolnacht de sterren is geweest,
het gras, de kakkerlakken, de vruchten en de maden
en dat ik dit aanvaardde en dat dit mij nog steeds verblijdt.
XXII
Nu nog, hoe haar beschrijven, met wat haar vergelijken?
Tot in mijn graf zal ik haar ordenen en haar verven
en bederven en haar amechtig weer tot leven blazen
met mijn ergerlijk geklaag, mijn zenuwslopend zeuren.
XXIII
Nu nog haar ogen met de rimmel en de oogschaduw
en de scharlaken lelletjes van haar oren doorboord.
'Ik heb koorts,' zei zij, 'ik kan niet meer, ik vermoord
je, die vingers van jou, niemand anders ooit, nergens, nooit.'
XXIV
Nu nog blijft zij negentien, al drinkt zij; nog zo veel,
en hebben te veel tranen rimpels over haar wangen
getrokken, oorlogsbeschildering en camouflage,
de schimmel en de diepvries van haar leven zonder mij.
XXV
Nu nog als ik haar terug zou vinden als een sprookje
van de maan na de regen en ik lik weer haar tenen,
weer op de been met mijn hart van steen dan vrees ik wordt er
weer een griezelig week lied gewekt als van Cole Porter.
XXVI
Nu nog, zij; meer dan het water in haar wonderlijk lijf
een zoutmeer waarop een eend zou drijven en beklijven
en die eend met een pik was ik - hoor me kwaken! - en zij
meer zijnde wiegde mij op de baren of deed alsof.
XXVII
Nu nog als ik haar terug zou zien met die bijziende blik
van haar, zwaarder in de heupen en voller in de kont,
ik zou haar, geloof ik, weer omhelzen, weer van haar drinken,
een hommel was niet drukker bezig blijer leniger.
XXVIII
Nu nog terwijl ik in haar verstrengeld en geknoopt zit
is de Verwoester bezig en verschroeit Hij de mensen.
Mensen van enige standing zijn hun weg verloren
als na een gevecht zonder wapens en zonder winnaars.
XXIX
Nu nog in haar boeien geklonken en met de bloedneus
van minnaars zeg ik, van haar bloeiende lente vervuld:
'Dood, folter niet langer de aarde, wacht niet, lieve dood,
tot ik klaargekomen ben, maar doe zoals zij en sla toe!'

© De Bezige Bij & Hugo Claus
Aus: Gedichten 1948-1993
De Bezige Bij, Amsterdam 1994
Audioproduktion: Het Beschrijf, 2004