
September in Pensol
omhuld in dagenlang
warm stoffig gouden licht
bukken we ons naar het water
al zo blauw en koud
maar de oude zomer vonkt nog
op de dis onder de bomen
onze stemmen vergezellen
het zachte ploffen van de herfst
terwijl de dieren aanschuiven
kruisen zich de levens van onze vaders
zien we de vrienden in onze ogen
wordt het donker maar niet kil
weten we waar we zijn
op weg en altijd thuis