
Mijn kleen, kleen dochterke
Gelijk een daske zijt ge dik,
Gelijk een kwartelke van kwik,
Gelijk een moorke soms zoo zwart,
Mijn kleen, kleen dochterke, mijn hart!
Maar nu gewasschen je daar zit,
Daar is geen engelken zoo wit,
Daar is geen lammeken zoo zoet,
Mijn kleen, kleen dochterken, mijn bloed!
Ik hef je op de okselkes omhoog,
Ik zie een sterreke in elk oog,
En voor mijn armoe word ik blind,
Mijn kleen, kleen dochterke, mijn kind!
René De Clerq (1877-1932) uit: Gedichten (1907)
Nijhoff vond er niet veel aan:
"Grote hemel, wat een onzin schrijf ik. Maar wat moet men andersschrijven over zulke prul-minnedichtjes als René de Clercq in zijn'Meidoorn' verzameld heeft. Het is me eenvoudig een raadsel datAugust Vermeylen in zijn overzichtelijk boekje: 'Van Gezelle totTimmermans', deze poëet naast een man als Karel van de Woestijneplaatst, en geen andere bedenking maakt dan 'betreuren dat hij nietaltijd aan een zekere neiging tot zorgelooze losheid kan weerstaan'.- Martinus Nijhoff"
op deze zomeravonden en voor mijn dochterken kan het me niet zoet genoeg.
1 opmerking:
Tja, met zo'n mooi kind is het geen kunst om zo'n mooie foto te maken. ;)
Sjanetje
Een reactie posten